De Leidse Sphaera

Wouter Rozema, Gerwin van der Werf en Anne Mieke Backer over het groot planetarium van Steven Stacey uit Rijksmuseum Boerhaave in Leiden.

Wouter Rozema

Gen Z

Ooit was hij gewoon een jongen: Adriaan. Nu is hij burgemeester en doet zijn achternaam ertoe, staan er kunstwerken zoals het planetarium in zijn werkkamer alsof dat vanzelfsprekend is.

Hij drijft de sokkel aan en de sterrenbeelden komen tot leven. Opgehokt in kleine kaders schieten ze voorbij als vluchtige reels in een zeventiende eeuwse app. Tastbaar en modern, ook al dateert hun oorsprong uit de klassieke oudheid.

De knappe Ganymedes, schenker van de goden, is nu slechts ‘waterman’. Oppergod Zeus is de stier in wiens gedaante hij de nimf Europa ontvoerde. En liefdesgodin Aphrodite en haar zoon zijn teruggebracht tot de vissengedaantes waarin ze aan een kwaadaardig wezen probeerden te ontsnappen.

Maar wat is zijn rol? Is hij een monster? Op de vlucht? Of slechts een simpele toeschouwer?

Misschien, bedenkt hij zich, heeft hij het antwoord – en is de mens van alles en helemaal niets tegelijk.

Gerwin van der Werf

Gen X

Ik stel me voor dat ik in de zeventiende eeuw leef. Ik ben een eenvoudige turfsteker. We zijn met honderden. We venen de Lijkerpolder bij Oude Wetering uit. Mijn rug staat krom, mijn knieën kraken. Maar ik buig mijn grauwe kop niet stug richting de zompige veengrond, ik kijk zo nu en dan omhoog. De zon trekt van oost naar west langs de hemel. Op winteravonden zie ik de maan opkomen, het heldere schijnsel van Jupiter verschijnt, de sterren van de dierenriem. Ik zie wat men al eeuwen zag: alles draait om de aarde.

Zou ik, als zeventiende-eeuwer, de ideeën van Copernicus, Galilei en Johannes Kepler kunnen geloven?

Ik denk het niet.

Maar dan: ik sta voor dit kosmische uurwerk, deze wonderbaarlijke Leidse Sphaera. Adriaen Vroesen, burgemeester van Rotterdam, laat het rond 1670 bouwen.

Hij wil dat wij het zien. Wij, gewone mensen. Ik begrijp het nauwelijks, maar kan er niet omheen. De volgende dag sta ik weer met mijn laarzen in het veen, maar ik weet dat ik draai, dat we allemaal draaien. Ik draai en lach me een ongeluk.

Anne Mieke Backer

Babyboomer

Bij ons thuis hadden wij vroeger niet zo’n kostbaar planetarium, maar we hadden wel een okkernoot en een sinaasappel. Ik zie nog mijn vader ermee in de eetkamer staan, terwijl hij ze omhooghield: ‘Let op, dit is de maan, en dit is de aarde.’ Het was zondagavond, we waren net teruggekeerd van mijn grootouders en ergens onderweg tussen Rotterdam en Den Haag, ter hoogte van Delft, had ik gevraagd:

‘Pappa, waarom reist de maan altijd met ons mee?’

Het was hartje winter, de lucht was helder en ik tuurde omhoog, mijn wang tegen het koude glas van het zijraam van de Volkswagen.

‘De maan beweegt niet met ons mee, dat lijkt maar zo. De huizen en bomen laten we achter ons, maar de maan daar komen we nooit voorbij, die blijven we zien.’ Mijn vader ontkrachtte daarmee het magische idee dat de grote ronde lamp aan de hemel speciaal ons gezin had uitverkoren om tot de voordeur te begeleiden. Thuisgekomen maande mijn moeder mij en de andere kinderen haast te maken: naar boven, tandenpoetsen, pyjama aan en naar bed, maar mijn vader nam mij eerst nog apart. Hij pakte een noot en een sinaasappel van de fruitschaal en zei: ‘Kijk ik zal het je uitleggen…’

Nee, wij hadden thuis niet zo’n ingenieus planetarium, maar geef mij een okkernoot en een sinaasappel en ik vertel je haarfijn waarom de maan altijd met je meegaat.