Kleine schaatsrijder door Piet Esser
Storm Chabot, Daan Heerma van Voss en Sander Kollaard over Kleine schaatsrijder van Piet Esser uit Museum Henriette Polak in Zutphen.
Storm Chabot
Gen Z
Deze schaatser doet mij denken aan het gitaarspel van Spike, van de Haagse rockband DI-RECT. Spike speelt niet zomaar gitaar. Zijn armen zwaaien in de rondte en malen als een schaatser door de luchtlagen om vervolgens, van grote hoogte, op zijn gitaar aan te vallen. Dan dendert een gitaarriff door de dampkring.
Het is het afscheidsconcert van de Golden Earring in Ahoy, Rotterdam. Naast Spike staat zijn schoonvader, Barry Hay. Zijn stembanden staan net zo strak gespannen als de spieren van de schaatser.
De bel luidt, de laatste ronde, nog één keer, nog één allesomvattende uithaal, alles aanspannen, alles aan.
Licht uit. Het museum sluit.
Daan Heerma van Voss
Millennial
Een goed kunstwerk onthult. Het toont ons een glimp van een waarheid die zich normaal verborgen houdt. Dat is de sensatie die je overvalt als een boek of een schilderij of een beeld je raakt. Je kunt alleen geraakt worden door een waarheid; de ontdekking dat iemand tegen je liegt is óok een waarheid. Soms moet de kunstenaar liegen om die waarheid te benadrukken.
Piet Essers Kleine schaatsenrijder onthult de sensatie van beweging, van snelheid. Hier is een kleine leugen voor nodig: het linkerbeen is naar anatomische wetten iets te lang. Wat wij ervaren is extra waarheid: de schaatser gaat zo hard dat ons oog het nauwelijks registreert, hij flitst, hij schiet. Het is alsof hij afzet, vlak voor de vlucht. Zo liegt ook de schrijver de waarheid bij elkaar. Het is niet de waarheid van de feiten, dat is slechts ‘werkelijkheid’. De waarheid is dat de werkelijkheid soms alleen maar afleidt.
Sander Kollaard
Gen X
Wat meteen opvalt: de stroomlijn, de controle. En wat ik dus meteen besef: dat dit een heel goede schaatser is. Maar daar komt de volgende gedachte al: dat dit geen schaatser is, maar een beeldje, en dat ik niet naar een heel goede schaatser kijk, maar naar het werk van een heel goede beeldhouwer. Het volgende moment dwarrel ik door de jaren en zit ik opeens met mijn broer en zussen voor de televisie, kijkend naar het schaatsen, mee wiegend met de bewegingen die de schaatsers maken. Ik zie een halve tel het uit de krant geknipte schema waarop mijn oudste zus de tussentijden bijhield in dat mooie handschrift van d’r. Maar dan: wie is die Piet Esser eigenlijk? En: moet je die beenspieren zien!
Zo gaat het door. Tot slot, terwijl ik al naar een volgend werk loop, is er nog een laatste gedachte: hoe wonderlijk het eigenlijk is dat zo’n beeldje een soort explosie in mijn hoofd veroorzaakt en de associaties als confetti in de rondte gaan, niet bepaald gestroomlijnd of gecontroleerd, maar ongelooflijk rijk.