Het Laatste Oordeel

Hanna Bervoets en Jan Siebelink over Het Laatste Oordeel van Hubert Goltzius in het Limburgs Museum in Venlo.

Hanna Bervoets

Millennial

Wanneer het kaf van het koren gescheiden wordt, is het dan erg dat je niet tot het koren behoort, zolang dat betekent dat je geen laadbak hoeft te delen, met degenen die jou de toegang tot hun koninkrijk ontzegden?

Ja, natuurlijk is dat erg. Je kunt jezelf van alles vertellen: ‘Wij werken het hardst: wij zouden juist méér rechten dan zij moeten hebben.’ Het doet er niet toe of het waar is, want zij dragen kleurige gewaden, en jij bent naakt. Zij blazen hun siertrompetten, jij kunt slechts je handen over je oren leggen, totdat ze je boeien, met hun trompetjes in je rug prikken, ten teken dat je door moet lopen. De laadbak in, de landingsbaan over. En wat zullen zij zichzelf ondertussen zeggen?

‘Wij werken het hardst: het is logisch dat wij meer rechten dan zij hebben.’ Waarom anders, zouden wij deze zetels toebedeeld gekregen hebben? De beste plekken bij het vuur, niet te warm, niet te donker: zulke plekken moet je nu eenmaal verdedigen. En wanneer het kaf van het koren gescheiden wordt, is het dan erg dat je niet tot het koren behoort, zolang dat betekent dat je geen laadbak hoeft te delen, met degenen die jij de toegang tot jouw koninkrijk ontzegde?

Jan Siebelink

Stille generatie

Het was in 1955 dat ik dit schilderij zag, tijdens de les kunstgeschiedenis. Ik, leerling op de rijks-kweekschool, 17 jaar oud, herinner me nog heel goed dat mijn blik vooral ging naar de taferelen links- en rechtsonder. Hoewel de opeenhoping van lichamen aan beide zijden mij tegenstond, kun je er toch zonder angst naar kijken. De dood en het laatste oordeel waren nog zo ver weg, en als het dan eenmaal zo ver zou zijn, het was zeker dat ik bij de groep uitverkorenen linksonder zou behoren.

Ik ben opgegroeid in een streng reformatorisch gezin. Met name mijn vader geloofde in het wrede credo van Calvijn dat al voor je geboorte vastlag of je gered of verdoemd was. Ik als oudste zoon probeerde precies als mijn vader te geloven, bad vurig en was ervan overtuigd dat God mij zag, en kon ik, gerust, als 17-jarige genieten van dit schilderij.

Nu niet meer. Ik bijna 88. In de loop van de tijd heb ik de religie ingeruild voor de literatuur, en daarmee ook de eeuwige gelukzaligheid. Het schilderij jaagt mij angst aan. Ik ben weer een beetje gelovig, kleingelovig aan het worden, maar ik ben heel bang op die hoop lichamen rechtsbeneden terecht te komen. Hypermodern, dit 16e eeuwse schilderij, het weerspiegelt de essentie van mijn leven.