Marc Chagalls Zelfportret met zeven vingers dateert uit 1912-1913, kort na zijn verhuizing van Rusland naar Parijs. De locatie van zijn Parijse appartement is traceerbaar omdat je door het raam de Eiffeltoren ziet. In tegenstelling tot zijn de stadse omgeving, is te zien dat de kunstenaar op het doek juist landelijke taferelen schildert, zoals een melkmeisje en een koe. Chagalls geboortedorp Vitebsk is afgebeeld in een wolk boven zijn hoofd – terwijl hij in Frankrijk is, blijven zijn gedachten en schilderijen gericht op Rusland. Kubistische invloeden zijn duidelijk aanwezig, in de gebroken vlakken die het gezicht van de kunstenaar vormen. Chagall beeldt zich in dit kleurrijke schilderij uit als gevangen tussen twee werelden, door bovenin het doek in het Hebreeuws 'Parijs' en 'Rusland' te schrijven. Verder valt op dat Chagalls linkerhand zeven vingers telt, een symbolisch aantal. Het nummer zeven was van persoonlijke betekenis voor hem, omdat hij in 1887 op de zevende dag van de zevende maand was geboren.
In het verleden is Chagalls Zelfportret met zeven vingers tijdens een restauratie behandeld met een laag vernis en aan de achterzijde bedoekt. Het mengsel van was en hars dat gebruikt is om de twee doeken te verbinden, is deels aan de voorzijde op de verflagen terecht gekomen. De vernislaag is donker en grauw verkleurd, evenals de was-hars resten. De Hebreeuwse letters bovenin het schilderij waren hierdoor niet meer goed leesbaar en subtiele verschillen in glanzende en matte kwaststreken waren verdwenen. Door de vernislaag en resten was-hars van de verflaag te verwijderen, komen de heldere kleuren van Chagall weer tevoorschijn. Het palet oogt weer stralend en ook de afwisseling tussen matte en glanzende verftoetsen wordt weer zichtbaar. De behandeling van het doek gebeurt in goed overleg met de bruikleengever, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, voorheen ICN.